Erfelijkheidsleer

Uit Kippen Encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
Mendel

De erfelijkheidsleer bestudeert de biologische processen die ervoor zorgen dat specifieke kenmerken van ouders op nakomelingen worden doorgegeven. Heel lang is de erfelijkheid een van de meest onbegrijpelijke en mysterieuze verschijnselen in de natuur geweest. Er bestonden wel enkele theorieën, maar G.J.Mendel (1822-1884) wordt als de grondlegger van de erfelijkheidsleer beschouwd.

Deze site probeert op een eenvoudige manier de erfelijkheidsleer duidelijk te maken. Deze is speciaal gericht op de erfelijksheidleer bij kippen, maar ook voor mensen die belangstelling hebben voor erfelijkheidsleer in het algemeen zal hier genoeg te vinden zijn.


Inhoud

De gewone celdeling of mitose.

Elk levend wezen bestaat uit zeer kleine deeltjes, die we cellen noemen. Die cellen zijn gewoonlijk zo klein dat ze alleen bestudeerd kunnen worden onder de microscoop. Sommige levende wezens bestaan uit 1 cel en deze behoren echt niet tot de reuzen onder de planten en dieren. De meeste planten en dieren bestaan uit een zeer groot aantal cellen. Om een indruk te geven van de grootte van een cel: 100 cellen achterelkaar gelegd zijn ongever 1 mm.

Hoe ziet een cel eruit? Een cel bestaat uit een bolletje, van een geleiachtige substantie, het cel plasma, en omgeven door een vliesje: de celmembraan. In de cel bevindt zich o.a. een bolletje: de celkern. De celkern bevat kleine draadvormige lichaampjes, de zogenaamde chromosomen. De chromosomen zijn opgebouwd uit eiwitten en desoxyribonucleïnezuur (= DNA). De chromosomen beschouwen we als de dragers van de erfelijkheids factoren, de genen. Chromosomen verschillen in grootte, vorm en structuur.

De hoeveelheid DNA in een celkern is gigantisch. De celkern is echter maar klein, daarom zijn de DNA strengen sterk in elkaar gewikkeld. Als je het DNA van één celkern uit elkaar zou halen, zou je 1 meter DNA hebben. Dit lijkt niet veel. Maar als je je dan bedenkt dat de celkern 1 micrometer (0,000001 meter) groot is, blijkt dat de lengte van het DNA een miljoen keer groter is dan de diameter van de celkern.

Afbeelding:cel.jpg


De gewone celdeling of Mitose maakt een identieke kopie van een cel. De celdeling vindt in het hele lichaam plaats en gedurende het hele leven. Deze celdeling zorgt voor groei en herstel van weefels.

Als de cel zich gaat delen worden de chromosomen zichtbaar in de kern van de cel. Het DNA waaruit de chromosomen bestaan is normaal sterk in elkaar gerold aanwezig in de celkern. Voorafgaand aan de celdeling rolt het wat uit zodat de kopieer machine van de cel er makkelijker bij kan. Hierdoor zijn als je door een microscoop zou kijken kleine strengetjes te zien in de celkern. Dit zijn de chromosomen.Een kip heeft 78 chromosomen. De chromosomen zitten paarsgewijs bijelkaar. daarom zeggen we ook wel dat kippen 39 chromosomen paar heeft. Om het wat overzichtelijker te maken kijken we slechts naar 8 chromosomen.


Afbeelding:celdeling1.jpg

De kernwand lost op


Afbeelding:celdeling2.jpg

Spandraden trekken de chromosomen uitelkaar


Afbeelding:celdeling3.jpg

De chromosomen zijn gesplitst


Afbeelding:celdeling4.jpg

Het celmembraan deelt de cel in tweeen


Afbeelding:celdeling.jpg

Nieuwe kernen vormt zich


Afbeelding:celdeling6.jpg

Door celstrekking worden de nieuwe cellen even groot als de oude cel en zijn er 2 identieke nieuwe cellen ontstaan die weer gelijk zijn aan de oude.Ze bevatten ook hetzelfde erfelijke materiaal (DNA).


Reductie deling of meiose

Behalve de gewone celdeling kennen we ook nog de reductie deling. Ook wel meiose genoemd.(Van Dale: 'reductie = terugbrengen tot een kleiner aantal') Deze celdeling vind alleen plaats bij het maken van voortplantingscellen.

Het grote verschil met de gewone celdeling is dat na de gewone celdeling het aantal chromosomen weer gelijk is met de oorspronkelijke cel. Bij de reductie deling hebben de nieuwe cellen de helft van het aantal chromosomen.


Afbeelding:reductiedeling1.jpg

De oorspronkelijke cel


Afbeelding:celdeling1.jpg

De kernwand lost op


Afbeelding:reductiedeling2.jpg

De chromosomen paren worden gedeeld


Afbeelding:reductiedeling3.jpg

Een celmembraan scheidt de chromosomen van elkaar.


Afbeelding:reductiedeling4.jpg

Nieuwe kernen vormen zich.

Zo zijn er 2 nieuwe cellen ontstaan, die de helft van het aantal chromosomen hebben dan de oorspronkelijke cel. Doordat de chromosomen zijn verdeeld ziin beide nieuwe cellen ook niet aan elkaar gelijk wat betreft hun DNA.

De cellen met 39 chromosomen worden geslachtscellen genoemd. De hen maakt geslachtscellen die eicellen worden genoemd en de haan maakt geslachtscellen die zaadcellen worden genoemd.


De bevruchting

Bevruchting is het binnendringen van de eicel door de zaadcel. Als een haan een hen treedt kan er een bevruchting plaatsvinden. Een mannelijke zaadcel dringt de eicel dan binnen.


Afbeelding:bevruchting1.jpg

Een zaadcel nadert de eicel In de zaadcel en eicel zitten 39 chromosomen. De helft van het aantal dat in een gewone cel zit.


Afbeelding:bevruchting2.jpg

De zaadcel nesteld zich in de eicel


Afbeelding:bevruchting3.jpg

Een eicel en zaadcel "samengesmolten" nu wordt deze cel kiemcel genoemd


Afbeelding:bevruchting4.jpg

De kernen lossen op


Afbeelding:bevruchting5.jpg

De chromosomen gaan weer paargewijs naastelkaar liggen. 1chromosoom van de hen bij 1 chromosoom van de haan.


Afbeelding:bevruchting6.jpg

Er vormt zich weer een nieuwe kern. Een nieuwe cel is ontstaan, met daarin weer 78 chromosomen. De helft van de chromosomen zijn afkomstig van de haan en de andere helft van de hen.

Door middel van de gewone celdeling kan uit de kiemcel een nieuw organisme (kuiken) ontstaan. Dit kuiken heeft de helft van de chromosomen en dus de erfelijke eigenschappen van de haan en de andere helft van de hen.


De geslachts Chromosomen

Of het kuiken dat uit een ei komt een haan of hen is, wordt bepaald door 1 chromosomen paar van de 39 chromosomen paren die een kip heeft. Dit zijn de zogenaamde geslachts chromosomen. De geslachtschromosomen van de haan lijken uiterlijk op elkaar. Als we de erfelijk eigenschappen op deze chromosomen bekijken kunnen die wel verschillen. Maar hierop komen we later terug. We noemen de geslachtschromosomen van de haan de Z-chromosoom. De geslachtchromosomen van de hen zijn verschillend. De ene is uiterlijk gelijk aan die van de haan, de andere is veel kleiner. Degene die gelijk is aan de haan noemen we ook het Z-chromosoom, de ander noemen we het W-chromosoom. Op het W-chromosoom zitten (bijna) geen erfelijke eigenschappen. We kunnen dus een haan voorstellen als ZZ en een hen als ZW.

Het kuiken krijgt van de haan 1 geslachtschromosoom. Dit is altijd een Z-chromosoom. Van de hen krijgt het kuiken ook een chromosoom. Als het kuiken van de hen het Z chromosoom krijgt heeft het dus 2 Z-chromosomen en is het dus een haan. Als het kuiken van de hen het W-chromosoom krijgt is het dus een hen. Bij kippen bepaald dus de hen het geslacht. Dit is bij mensen andersom, daar bepaald de man het geslacht.

Omdat de hen 1 W-chromosoom en 1 Z-chromosoom heeft is de kans gelijk of de hen een Z of een W chromosoom afgeeft. Daarom is de kans of uit het ei een hen of een haan komt even groot. Daarom zal als er grote aantallen eieren bebroed worden ook ongeveer evenveel hanen als hennen geboren worden.

Schematisch ziet dat er als volgt uit:

Haan
Z Z
Hen Z ZZ (haan) ZZ (haan)
W ZW (hen) ZW (hen)



Genotype en fenotype.

Bij de erfelijkheidsleer maken we verschil tussen genotype en fenotype. Genotype is hoe een organisme er genetisch uitziet. Fenotype is hoe een organisme er in werkelijkheid uitziet. Ziet daar dan verschil in? Er kan verschil in zitten. Bijvoorbeeld een haan bezit de genetisch kenmerken voor een hele grote staart. Maar doordat er bijvoorbeeld muizen zich tegoed hebben gedaan aan zijn staart, heeft hij die grote staart niet. Het genotype (erfelijke eigenschappen) is in deze dus verschillend van het fenotype (uiterlijk) Later zullen er ook nog andere voorbeelden komen met verschillen tussen genotype en fenotype.


De intermediaire vererving

In onze cellen bevinden zich van elk Chromosomenpaar twee Chromosomen waarvan de een van de haan afkomstig is en de ander van de hen. Dat betekent dus dat elk gen dus ook in tweevoud aanwezig is. Voor (bijna) elke eigenschap, zoals bijvoorbeeld de veerkleur, zijn er dus twee genen verantwoordelijk.

Deze genen kunnen gelijk zijn. Bijvoorbeeld de haan is zwart en de hen is ook zwart. Dan zullen de jongen die hier uit komen ook zwart worden. (later zal blijken dat die niet altijd het geval hoeft te zijn)

Het kan ook zijn dat de genen niet gelijk zijn. Als hieruit een tussenvorm ontstaat noemen we dit een intermediaire vererving. Dit komt bij kippen bijvoorbeeld voor als je zwart kruist met vuilwit, dan ontstaat namelijk de een kleur die ligt tussen zwart en vuilwit. We noemen deze kleur blauw.

Een blauw dier heeft dus voor kleur 2 verschillende genen. Een gen zwart en een gen vuilwit. Als je 2 blauwe dieren met elkaar kruist krijgen de nakomelingen van de haan een gen zwart of vuilwit en van de hen ook een gen zwart of vuilwit. Indien het kuiken van de haan een gen voor zwart krijgt en van de hen ook, zal het kuiken dus zwart zijn. Als ze van beide een gen krijgt voor vuilwit zal ze dus vuilwit zijn. Zijn de genen verschillend dan is het kuiken blauw.


Doordat niet alle nakomelingen bij blauw ook blauw worden, noemen we blauw een fokonzuivere kleur. in de genetica stellen we blauw voor als Bl bl, vuilwit als BL BL en zwart als bl bl.

In schema ziet de kruising blauw maal blauw er dan zo uit:

Blauw
Bl bl
Blauw Bl Bl Bl (Vuilwit) Bl bl (Blauw)
bl Bl bl (Blauw) bl bl (Zwart)

25% van de nakomelingen uit blauw keer blauw zijn zwart, 25% vuilwit en 50% zijn blauw.

Kruisen we vuilwit met zwart dan krijgen we 100% blauwen dieren, zoals uit het volgende schema blijkt:

Zwart
bl bl
Vuilwit Bl Bl bl (Blauw) Bl bl (Blauw)
Bl Bl bl (Blauw) Bl bl (Blauw)


Kruisen we blauw met zwart of blauw met vuilwit dan krijgen we:

Zwart
bl bl
Blauw Bl Bl bl (Blauw) Bl bl (Blauw)
bl bl bl (Zwart) bl bl (Zwart)
Vuilwit
Bl Bl
Blauw Bl Bl Bl (Vuilwit) Bl Bl (Vuilwit)
bl Bl bl (Blauw) Bl bl (Blauw)
Vuilwit


De dominante vererving

Als bij een bepaalde kruising de nakomelingen niet het midden houden tussen de twee ouderdieren, maar lijkt op één van de ouders, spreken we van een dominante vererving. Als je bijvoorbeeld een zwarte Leghorn kruist met een witte Leghorn zullen alle nakomelingen wit zijn. Wit is in dit geval dominant (overheersend) over zwart. Zwart noemen we recessief (terug tredend) t.o.v. wit.We noemen hier speciaal de Leghorn als ras omdat er ook nog een recessief wit bestaat. Deze laatste komt bijvoorbeeld voor bij Javakrielen Als we gaan kruisen noemen we de ouderdieren P en de nakomelingen uit deze ouderdieren de F1. De nakomelingen uit deze F1 noemen we F2, etc. In deze kruising zijn de zwarte en de witte ouderdieren: P. De witte dieren die hieruitkomen noemen we de F1. Als je de witte nakomelingen uit deze kruising onderling weer kruist zullen deze nakomelingen (F2) niet allemaal wit zijn. Er zal ook een deel, ongeveer 25%, weer zwart zijn.


Dit is te verklaren doordat de F1 nakomelingen een gen van de vader en de moeder hebben gekregen. Het ene gen is wit de andere zwart. De F2 nakomelingen krijgen van beide ouders ook weer een gen, dit kan zowel een zwart als een wit gen zijn. Hebben ze 2 witte genen gekregen dan is het dier wit. Hebben ze een wit en een zwart gen gekregen dan is het dier ook wit. Hebben ze 2 zwarte genen gekregen dan is het een zwart dier.

In schema ziet het er als volgd uit:

P: het zwarte dier stellen we voor als i i het witte dier stellen we voor als I I Als we deze onderling kruisen ziet dit er schematisch als volgt uit:

Zwart
i i
Dominant wit I Ii (fokonzuiver wit) Ii (fokonzuiver wit)
I Ii (fokonzuiver wit) Ii (fokonzuiver wit)

Alle nakomelingen (F1) heeft een I gen van de witte ouder en een i gen van de zwart ouder gekregen.Doordat I dominant is over i zijn alle nakomelingen wit.

Als je deze F1 generatie onderling kruist ziet dat er schematisch als volgt uit.

Fokonzuiver wit
I i
Fokonzuiver wit I II (fokzuiver wit) Ii (fokonzuiver wit)
i Ii (fokonzuiver wit) ii (zwart)

In de F2 zijn de II wit want zijn hebben 2 genen voor wit. Ook Ii is wit omdat I dominant is over i. ii is zwart omdat die 2 genen voor zwart heeft. Hoewel II en Ii dus uiterlijk(fenotype) gelijk zijn is hun genotype dus verschillend. Een wit dier met 2 I genen noemen we fokzuiver of homozygoot. Een wit dier met een I en een i noemen we fokonzuiver of heterozygoot, omdat uit hun nakomelingen niet alleen witte dieren komen. Zwart is in dit voorbeeld altijd fokzuiver

Als we een wit dier uit de F1 kruisen met het zwarte ouderdier krijgen we 50% zwarte nakomelingen en 50% fokzonzuivere witte nakomelingen.

Zwart
i i
Fokonzuiver wit I Ii (fokonzuiver wit) Ii (fokonzuiver wit)
i ii (zwart) ii (zwart)

Als we een wit dier uit de F1 kruisen met het witte ouderdier zijn alle nakomelingen wit waarvan 50% fokzuiver is en 50% fokzonzuiver.

Fokzuiver wit
I I
Fokonzuiver wit I II (fokzuiver wit) II (fokzuiver wit)
i Ii (fokonzuiver wit) Ii (fokonzuiver wit)


Geslachts gebonden vererving

Een kip heeft 39 chromosomenparen. Eén paar is het geslachtchromosomenpaar. Zie les 4. Op de X-chromosomen kunnen ook erfelijke eigenschappen (genen) zitten. Als er een eigenschap op een geslachtchromosoom zit heeft een haan voor deze eigenschap net als alle bij anderen eigenschappen daar 2 genen van. Een hen heeft maar één X-chromosoom en dus dan ook maar 1 gen voor deze eigenschap. Op het O-chromosoom zitten geen eigenschappen. Een eigenschap die bij kippen op het X-chromosoom zit is het gen voor de kleur koekoek. Een haan heeft 2 maal het gen voor koekoek en een hen 1 maal. Daarom zijn de koekoekkleurige hanen vaak ook wat lichter van kleur dan de hennen. De kleur koekoek is dominant over zwart. Als we een koekoek haan kruisen met een zwarte hen zijn alle nakomelingen koekoekkleurig.

Als we het koekoek gen voorstellen met een B en het zwarte gen met een b dan ziet de kruising tussen een koekoek haan en zwarte hen er schematisch als volgt uit:

koekoek haan
B B
Zwarte hen b Bb (fokonzuivere koekoek haan) Bb (fokonzuivere koekoek haan)
- B- (koekoek hen) B- (koekoek hen)

De Bb dieren zijn hanen. (Deze hebben immers 2 X-chromosomen.) Deze hanen zijn koekoekkleurig omdat koekoek dominant is over zwart. B- zijn hennen en hebben een B gen en zijn dus koekoekkleurig.De Bb hanen zijn iets donkerder van kleur dan de BB hanen.

Als we nu een zwarte haan kruisen met een koekoekkleurige hen ziet het schem er als volgt uit:

Zwarte haan
b b
koekoek hen B Bb (fokonzuivere koekoek haan) Bb (fokonzuivere koekoek haan)
- b- (Zwarte hen) b- (Zwarte hen)

Bb zijn de hanen en weer koekoekkleurig. De hennen zijn nu b- en hebben dus geen gen voor koekoek en zijn nu zwart. Deze kruising levert dus kuikens waarbij de hanen en hennen een andere kleur hebben. Zo'n kruising noemen we autosexend. Bij de geboorte zijn de haantje en hennetjes (bijna) direct te herkennen.


Dihybride kruising

Hierboven hebben we gekeken naar kruisingen waarbij de ouders in 1 gen verschilden Dit noemen we ook wel een monohybride kruising. Een dihybride kruising is een kruising waarbij de ouders in 2 genen verschillen. Bijvoorbeeld een kruising tussen een Rozekammige zwarte leghorn met een enkele kammige witte Leghorn. Deze dieren verschillen behalve in kleur ook in de kam. Zoals we in les 7 al gezien hebben is wit bij Leghorns dominant over zwart. Dus alle nakomelingen in de F1 zijn allemaal wit. Rozekam is dominant over enkele kam dus zijn ook alle nakomelingen in de F1 rozekammig.

In schema ziet dat er als volgt uit:

I = wit-gen

i = ontbreken wit-gen (zwart)

K = gen voor rozekam

k = ontbreken gen voor rozekam (enkele kam)

Zwart, Rozekam
i K i K
Dominant wit,

enkele kam

I k Ii Kk(fokonzuiver wit, fokonzuivere rozekam) Ii Kk(fokonzuiver wit, fokonzuivere rozekam)
I k Ii Kk(fokonzuiver wit, fokonzuivere rozekam) Ii Kk(fokonzuiver wit, fokonzuivere rozekam)

Alle nakomelingen in de F1 zijn IiKk. De dominante genen I en K overheersen over i en k daardoor zijn alle nakomeling wit met rozekam.

De F1 is in 2 eigenschappen fokonzuiver of heterozygoot. Doordat deze eigenschappen niet op hetzelfde chromosoom zitten, hebben we verschillende mogelijkheden welke eigenschappen doorgegeven worden aan de nakomelingen. De ouders kunnen een I doorgeven met daarbij een K, maar kan ook een I met een k, of een i met een K of een i met een k. De kans is bij alle vier de combinaties even groot.

fokonzuiver wit, fokonzuivere rozekam
I K i K I k i k
fokonzuiver wit,

fokonzuivere rozekam

I K II KK Ii KK II Kk Ii Kk
i K Ii KK ii KK Ii Kk ii Kk
I k II Kk Ii Kk II kk Ii kk
i k Ii Kk ii Kk Ii kk ii kk

Uit dit schema komt het volgende naar voren

9/16 is Wit met rozekam: II KK, II Kk, Ii KK en Ii Kk

3/16 is Wit met enkele kam: II kk en Ii kk

3/16 is Zwart met rozekam: ii KK en ii Kr

1/16 is Zwart met enkele kam: ii kk


Trihybride en polyhybride kruising

Trihybride kruising is een kruising met ouderdieren die in 3 erffactoren met elkaar verschillen. Een polyhybride kruising is een kruising waarbij de ouderdieren meer dan 3 erffactoren hebben die van elkaar verschillen. Zagen we bij de monohybride kruisingen (zie les 6, 7 en 8) dat er bij de nakomelingen 3 verschillende genotypes voorkwamen. Bij de dihybride kruising waren dat al 9 verschillende genotypen. Bij de Trihybride en de polyhybride kruisingen zullen dat nog veel meer zijn. Met andere woorden: hoe meer de ouders van elkaar verschillen, hoe groter de kans er is om veel verschillende nakomelingen te krijgen.We zullen in een schema laten zien hoeveel verschillende genotypen bij de trihybride kruising oplevert.

Stel we kruisen een zwarte Leghorn met rozekam met enkele kam met een witte bolstaart Leghorn. Een bolstaart is dominant over gewone staart

Bestand:Leghorn Rozekam Zwart Haan.jpg
Leghorn Rozekam Zwart Haan
Leghorn Amerikaans type bolstaart Wit hen

I = wit-gen

i = ontbreken wit-gen (zwart)

K = gen voor rozekam

k = ontbreken gen voor rozekam (enkele kam)

B = bolstaart gen

b = Ontbreken gen voor bolstaart (gewone staart)


Wit, enkele kam, bolstaart
I k B I k B
Zwart, rozekam,

gewone staart

i K b Ii Kk Bb Ii Kk Bb
i K b Ii Kk Bb Ii Kk Bb

Alle nakomelingen in de F1 zijn IiKkBb. De dominante genen I, K en B overheersen over i k en b daardoor zijn alle nakomeling wit met rozekam en bolstaart.

De F1 is in 3 eigenschappen fokonzuiver of heterozygoot. Doordat deze eigenschappen niet op hetzelfde chromosoom zitten, hebben we verschillende mogelijkheden welke eigenschappen doorgegeven worden aan de nakomelingen. De verschillende combinatie die de ouders kunnen doorgeven zijn: IKB, IKb, IkB, Ikb, iKB, iKb, ikB en ikb. In schema ziet het alsvolgt uit:

fokonzuiver wit, fokonzuiver rozekam, fokonzuiver bolstaart
I K B I K b I k B I k b i K B i K b i k B i k b
fokonzuiver wit,

fokonzuiver rozekam,

fokonzuiver bolstaart

I K B II KK BB II KK Bb II Kk BB II Kk Bb Ii KK BB Ii KK Bb Ii Kk BB Ii Kk Bb
I K b II KK Bb II KK bb II Kk Bb II Kk bb Ii KK Bb Ii KK bb Ii Kk Bb Ii Kk bb
I k B II Kk BB II Kk Bb II kk BB II kk Bb Ii Kk BB Ii Kk Bb Ii kk BB Ii kk Bb
I k b II Kk Bb II Kk bb II kk Bb II kk bb Ii Kk Bb Ii Kk bb Ii kk Bb Ii kk bb
i K B Ii KK BB Ii KK Bb Ii Kk BB Ii Kk Bb ii KK BB ii KK Bb ii Kk BB ii Kk Bb
i K b Ii KK Bb Ii KK bb Ii Kk Bb Ii Kk bb ii KK Bb ii KK bb ii Kk Bb ii Kk bb
i k B Ii Kk BB Ii Kk Bb Ii kk BB Ii kk Bb ii Kk BB ii Kk Bb ii kk BB ii kk Bb
i k b Ii Kk Bb Ii Kk bb Ii kk Bb Ii kk bb ii Kk Bb ii Kk bb ii kk Bb ii kk bb

27/64 is Wit, rozekam en bolstaart: IIKKBB, IIKKBb, IIKkBB, IIKkBb, IiKKBB, IiKKBb, IiKkBB, IiKkBb

9/64 is: Wit, rozekam met gewone staart: IIKKbb, IIKkbb, IiKKbb, IiKkbb

9/64 is: Wit, enkele kam met bolstaart: IIkkBB, IIkkBb, IikkBB, IikkBb

3/64 is: Wit, enkele kam en gewone staart: IIkkbb, Iikkbb

9/64 is: Zwart, rozekam en bolstaart zijn: iiKKBB, iiKKBb, iiKkBB, iiKkBb

3/64 is: Zwart, rozekam met gewone staart zijn: iiKKbb, iiKkbb

3/64 is: Zwart, enkele kam met bolstaart zijn: iikkBB, iikkBb

1/64 is: Zwart, enkele kam en gewone staart: iikkbb


We zien hier bij de nakomelingen uit de F2 al 8 verschillende Fenotypen en 27 verschillende Genotypen. U Zult begrijpen dat als er tussen de ouders nog meer verschillen zijn dat de diversiteit bij de nakomelingen als maar groter wordt.


Lethale erffactoren

Een dier dat een lethale erffactor fokzuiver, dus dubbel, bezit is niet levensvatbaar. Een bekende lethale factor bij kippen is kortbennigheid zoals dat voorkomt bij de Chabo. Als we goede tentoonstellings Chabo's met elkaar kruisen zal ongeveer 1 op de 4 kuikens levensvatbaar zijn. Deze kuikens zijn vaak volledig volgroeid maar kunnen niet uit het ei komen. De kuikens die wel uitkomen, daarvan zijn ongeveer 1 op de 3 gewoon langbenig. de anderen zijn weer kortbenig. Hoe is dit te verklaren?

Chabo Lichtgeel hen

Een kortbenige Chabo is niet fokzuiver voor kortbenigheid, maar heeft een factor kortbenig en een factor voor gewone beenlengte. Als bij de nakomelingen de 2 factoren voor kortbeningheid bij elkaar komen, is dit kuiken niet levensvatbaar. Kortbenignheid is dominant over gewone beenlengte.

In schema ziet dat er als volgt uit:

P staat voor korte benen.

p staat voor gewone beenlengte

Korte benen
P p
Korte benen P PP (Fokzuiver korte benen) Pp (Korte benen)
p Pp (Korte benen) pp (gewone beenlengte)


PP is nu fokzuiver voor kortbenig. Deze kuikens zijn niet in staat om uit het ei te komen en dus niet levensvatbaar.

Pp is zoals de ouderdieren kortbenig.

pp is gewone beenlengte.

De dieren met een gewone beenlengte zijn voor de tentoonstelling niet geschikt, maar zijn heel goed voor de fokkerij te gebruiken. Want gekruist met kortbeninge dieren, heeft men geen last van de lethale factor en kunnen alle kuikens in principe uit het ei komen.

Korte benen
P p
Gewone benen p Pp (Korte benen) Pp (Korte benen)
p pp (gewone beenlengte) pp (gewone beenlengte)

We zien dat de helft van de kuikens Pp zijn, dus kortbenig. De ander helft is pp en hebben dus een normale beenlengte. Kuikens met een dubbele factor voor kortbenigheid komen niet voor.


Gekoppelde eigenschappen

Op een chromosoom liggen verschillende genen (eigenschappen). Als je 2 dieren kruist die 2 verschillende eigenschappen hebben die op hetzelfde chromosoom liggen dan krijg je een ander schema als staat bij les 9. Stel je kruist koekoekpatrijs met zilverpatrijs. Zowel de koekoekfactor als de zilverfactor zijn geslachtsgebonden en dus liggen ze op hetzelfde chromosoom ( het Z-chromosoom). Doordat de eigenschappen op het Z chrormosoom liggen, maakt het hier ook nog uit of we een koekoekpatrijs haan nemen en een zilverpatrijs hen of een zilverpatrijs haan en een koekoekpatrijs hen. We zullen beide in een schema laten zien:

Een koekoekpatrijskleurige haan kunnen we voorstellen als BBss

Een koekoekpatrijskleurige hen als B-s-

Een zilverpatrijskleurige haan als bbSS

Een zilverpatrijskleurige hen als b-S-

(B = koekoekfactor, b = ontbreken koekoekfactor, S = zilverfactor, s = ontbreken zilverfactor)

Koekoekpatrijs haan x zilverpatrijs hen

Koekoekpatrijs haan
BS BS
Zilverpatrijs hen bS BbSs BbSs
-- B-s- B-s-


De hanen uit deze kruising (Bb Ss) zijn (roodgeschouderd) koekoekzilverpatrijs, de hennen koekoekpatrijs. Als we deze F1 dieren onderling kruisen krijgen we

Roodgeschouderd koekoekzilverpatrijs haan
Bs bS
Koekoekpatrijs hen Bs BBss BbSs
-- B-s- b-S-

BBss = koekoekpatrijs haan

BbsS = fokonzuivere, voor zowel koekoek als zilver, (roodgeschouderd) koekoekzilverpatrijs haan

B-s- = koekoekpatrijs hen

b-s- = zilverpatrijs hen

Zilverpatrijs haan x koekoekpatrijs hen

Zilverpatrijs haan
bS bS
koekoekpatrijs hen Bs BbSs BbSs
-- b-S- b-S-


De hanen uit deze kruising (BbSs) zijn (roodgeschouderd) koekoekzilverpatrijs, de hennen zilverpatrijs. Als we deze F1 dieren onderling kruisen krijgen we

Roodgeschouderd koekoekzilverpatrijs haan
Bs bS
Zilverpatrijs hen bS BbSs bbSS
-- B-s- b-S-


bbSS = zilverpatrijs haan

BbSs = fokonzuivere, voor zowel koekoek als zilver, (roodgeschouderd) koekoekzilverpatrijs haan

B-s- = koekoekpatrijs hen

b-S- = zilverpatrijs hen


Crossing over

Als we de kruising uit de vorige les bekijken zal door de kruising tussen zilverpatrijs en koekoekpatrijs nooit een fokzuivere koekoekzilverpatrijs ontstaan. Toch is het mogelijk uit koekoekpatrijs en zilverpatrijs koekoekzilverpatrijs te fokken.

Leghorn Koekoekzilverpatrijs Haan
Leghorn Koekoekzilverpatrijs Hen

Dit kan doordat er tijdens de meiose genen ontkoppeld kunnen worden. De chromosomen liggen dan zodicht bijelkaar dat ze bij het uit elkaar gaan wel eens delen kunnen wisselen. Bij geslachtgebonden factoren zoals hierboven aangegeven kan dit alleen maar bij de haan plaatsvinden. Bij niet geslachtsgebonden eigenschappen bij zowel haan als hen.

Meestal gaat het bij de reductie deling of meiose op de volgende manier:


Afbeelding:crossingover1.jpg

Het chromosomen paar voor de deling.


Afbeelding:crossingover2.jpg

Spandraden ontstaan.


Afbeelding:crossingover3.jpg

Spandraden trekken de chormosomen uit elkaar


Bij crossing over gaat het als volgt:


Afbeelding:crossingover4.jpg

Het chromosomenpaar voor de meiose nog niet geheel ontrafeld.


Afbeelding:crossingover5.jpg

Spandraden ontstaan


Afbeelding:crossingover6.jpg

Spandraden trekken het chromosomenpaar uit elkaar waarbij een breuk ontstaat. Deze breuk wordt vrijwel onmiddelijk hersteld waarbij de beide stukken chromosoom verwisseld worden.

De kans op ontkoppeling van eigenschappen op het zelfde chromosoom hangt af van de afstand tussen deze eigenschappen op het chromosoom. Hoe dichter de genen (eigenschappen) bij elkaar liggen, hoe kleiner de kans dat ze ontkoppeld worden.

De kans op crossing over varieert van minder dan 1 promille tot enkele procenten. Wil je dus koekoekzilverpatrijs fokken uit koekoekpatrijs en zilverpatrijs zul je dus heel erg veel dieren moeten fokken.


Mutaties

Wanneer het genotype "vanzelf" verandert spreken we van een mutatie. D.w.z. er is een verandering in de genen. Er zijn in de planten en dieren wereld meerdere mutaties bekend zoals haarloze honden en de bruine beuk.Waarschijnlijk is ook de witte veerkleur bij onze hoenders een mutant. Vaak zijn mutaties niet levensvatbaar. Als ze al levensvatbaar zijn, zijn deze gemuteerde eigenschappen meestal recessief, dus duurt het dan een aantal generaties voor deze nieuwe eigenschappen naar buiten komen.

Mutaties kunnen ontstaan door bestraling, plotselinge temperatuursverandering of door chemische stoffen.


Scheikuikens

Koekoekpatrijs kuikens. Links de haan met gele kopvlek, rechts de hen.

Scheikuikens zijn kuikens waarbij het geslacht direct bij de geboorte is te onderscheiden. Dit kan bij bepaalde rassen of kleurslagen. We noemen deze dan autosexend. Koekoekpatrijs en koekoekzilverpatrijs zijn zulke kleurslagen. Ook de Bielefelder is een autosexend ras. De hanekuikens hebben bij deze kleurslagen een duidelijk lichtere donskleur dan de hennekuikens, vooral op de kop is dit duidelijk te zien.


Dit verschil in donskleur komt door de koekoekfactor die bij de haan 2 maal voor komt en bij de hen 1 maal, omdat deze gelachts gebonden is. Dit is ook het geval bij koekoek of gestreepte dieren. Ook hier hebben de haantjes meestal een gele kopvlek, die de hennekuikens missen. Toch is het bij deze laatste kleurslagen minder duidelijk.

Ook kunnen we scheikuikens krijgen bij kruisingen. Een voorbeeld is de kruising tussen een goudpel haan met een zilverpel hen. De hanen die hier uit komen zijn allemaal zilverpel en de hennen goudpel.

Kuikens uit de kruising haan met leiblauwe benen, hen met gele benen.

Als we zilverpel voorstellen als S en goudpel als s ziet het schema er als volgt uit. (zilverpel is dominant en geslachtsgebonden)

Goudpel haan
s s
Zilverpel hen S Ss Ss
- s- s-

De haantjes zijn Ss. Omdat zilverpel dominant is over goudpel zijn ze dus zilverpel. De hennetjes zijn s- en zijn dus goudpel.

Andere kruisingen die scheikuikens leveren zijn patrijs haan X zilverpatrijs hen, zwarte haan X koekoek hen, goudzwart gezoomde haan X zilverzwart gezoomde hen, haan met leiblauwe benen X hen met gele benen.



Inteelt / degeneratie

Inteelt is het fokken met verwante dieren. Die verwantschap kan van verschillende graad zijn. Zo is de verwantschap tussen ouders en kinderen verwantschap in de 1e graad, tussen grootouders en kleinkinderen of tussen broer en zus verwantschap in de 2e graad, etc.

Degeneratie is het aan het licht treden van een ongunstige eigenschap.

Vaak krijgt inteelt de schuld van degeneratie. Toch is dat niet juist. Deze ongunstige eigenschappen zijn al sluimerend aanwezig. Door de inteelt krijgt het de kans naar buiten te komen. Dit is voor het opbouwen van een stam alleen maar gunstig. Nu weet je dat deze ongustige eigenschap in de stam aanwezig is en kan men maatregelen nemen door hier streng op te selecteren.

Bij het opbouwen van een stam is inteelt noodzakelijk, toch moet je erg waakzaam zijn bij het toepassen van inteelt. We letten als fokkers van tentoonstellings dieren heel erg op het uiterlijk en dan kunnen ongunstige eigenschappen die niets met uiterlijk te maken hebben naar buiten komen. Een voorbeeld is bijvoorbeeld slechte leg. Als je deze eigenschap in je stam hebt gefokt, kun je nog zulke mooie dieren hebben maar zit je op een dood spoor.






Op alle foto's en tekst zit copyright. Wilt u foto's en/of tekst gebruiken neem dan contact op via het contactformulier.
Persoonlijke instellingen